vrijdag 6 maart 2015

magis suavis


in magis suavis
het zOete meer
leven de wezens
weelderig en teer.

de één kan niet zOndR
de andR bestaan,
net een lichaam met alles
R Op en R aan.

in magis suavis
strOOmt 'n wOndRvOlle brOn
die het water Oer smaak geeft,
samen met de zOn.

niet dat niet méér magisch is
aan magis suavis,
al1 die brOn is OOk de brOn
van waarOm R dit vRhaal is.

in magis suavis
het zOete meer
leven de wezens
weelderig en teer.

één dient als vOedsel
vOOr twee, die drie eet
en vier vOedt vijf's brOedsel
daar zes het nie'weet.

tienduizend malen
tienduizend jaren
weet geen mens
van magis suavis.

tienduizend sOOrten
in die heldere plas,
waarOndR een paling
en Oer naam is baz.

in magis suavis
het zOete meer
leven de wezens
weelderig en teer.

baz ziet elk als maatje
al vreest OOk de snOek
die baz ziet als 'n maaltje,
dus is snOek R, is Oek zOek.

tegelijk in de tijd
weet geen enkele vis
wie die Ongrijpbare
palingjOngeling is.

well dat baz hOudt
van die wOndRvOlle brOn,
Omdat je Oen vaak
in de buurt R van vOnd.

en de andRen grappen:
"baz is de gladste van de plas
O ja!
baz is de gladste van de plas!"

in magis suavis
het zOete meer
leven de wezens
weelderig en teer.

Op een zOnnige Ochtend
OvR 't zOmerse gras
lOpen vier vOeten
naar de zOete plas.

de wind br8 de geur
waar de mensen wOnen
en nu zijn R twee
bij het meer aangekOmen.

"well, hier kOmt die heerlijke
bries dus vandaan!"
"kOm, laat Ons in
het water gaan!"

in magis suavis
het zOete meer
leven de wezens
weelderig en teer.

OOk die dag speelt baz met
de zOete strOOm van de brOn
als plOts een zandbruine
vOet het water in kOmt

en nÓg één, dan nÓg twee!
baz a's 'n stOkpaling
kijkt in vier mensenOgen
dOOr hun bubbelademhaling.

de rest van de wezens
in magis suavis,
als de gladste van de plas,
maakt dat Oek weg is.

in magis suavis
het zOete meer
leven de wezens
weelderig en teer.

juist als baz niet meer
weet waar het te zOeken,
ziet hij snOek naderen
in Oer OOghOeken.

in 'n OOgwenk heeft snOek tOen,
nOg vOOr het te weten,
één van de twee mensen
in Oer gesl8 gebeten.

spartelend zijn die
tOen weggezwOmmen
en via de brOn
uit het meer geklOmmen.

in magis suavis
het zOete meer
leven de wezens
weelderig en teer.

sinds die dag is R iets
met het meer gebeurd,
al heeft niet iedR wezen
dat meteen bespeurd.

baz is nOg dagen
van alles van slag;
van de mensen, maar snOek was
well de klapR van de dag.

snOek's smakelijk maaltje,
watt heeft Oen belet?
nee in plaats daarvan
heeft Oek Oen tOen gered!

in magis suavis
het zOete meer
leven de wezens
weelderig en teer.

zeven zOnnen en manen
zweven zO bOven
het meer als in meer en meer
wezens de vOnkjes dOven.

het zOet is vRdwenen,
dat dOet ze bezwijken.
nu drijven in magis
suavis hun lijken.

die dag heeft één mens
tegen de brOn geschOpt
en Op dat bit'Re mOment
raakt de brOn vRstOpt.

in magis suavis
het zOete meer
leven de wezens
weelderig en teer.

heel langzaamaan
raakt baz, Onze paling,
weer uit Oer wazige
staat van vRdwaling'en

'Of 'n stem rOept "baz, de brOn!"
daar dringt 't tOt Oen dOOr
en heeft, glad als Oek is,
het gat weer Open gebOOrd.

een week is R gefeest'en
'Of misschien well 'n jaar
en sindsdien, ziet baz snOek,
dan grOeten ze elkaar.

in magis suavis
het zOete meer
leven de wezens
weelderig en teer.

de één kan niet zOndR
de andR bestaan,
net een lichaam met alles
R Op en R aan.

in magis suavis
het zOete meer
leven de wezens
weelderig en teer.




O



pepé: lettermenger




O